Musée d’Orsay bezoeken: tickets, beste tijd en de route door het museum

, ,

Bijna iedereen doet het Musée d’Orsay verkeerd om. Je komt binnen in de grote hal, begint bij de beeldhouwwerken op de begane grond, werkt netjes omhoog — en staat anderhalf uur later met pijn in je voeten voor de impressionisten, precies waarvoor je gekomen was. Neem meteen de lift naar de bovenste verdieping en werk naar beneden. Je ziet Monet en Van Gogh dan met frisse ogen, en in de eerste uren ook met de helft minder mensen om je heen.

Twee dingen daarnaast, die je een dag of geld kunnen schelen. Het museum is elke maandag gesloten, net als op 1 mei en 25 december. En online kost een volledig kaartje 16 euro tegen 14 euro aan de kassa — je betaalt online dus méér. Dat is geen fout: je koopt er een tijdslot en een aparte ingang mee, geen korting.

Wil je uitleg bij wat je ziet zonder achter een groep aan te lopen, dan werkt een audiogids door het Musée d’Orsay goed: 48 stops in ongeveer tweeënhalf uur, op je eigen telefoon, in je eigen tempo.

Kaartjes en openingstijden in één overzicht

WatDetails
Volledig tarief online16 € — met tijdslot en aparte ingang
Volledig tarief aan de kassa14 € — goedkoper, maar afhankelijk van vrije plekken die dag
Combinatie Orsay + OrangerieEén kaartje; het deel voor de Orangerie blijft drie maanden geldig
GratisIedereen onder de 18; inwoners van de EU/EER van 18 tot en met 25 jaar op vertoon van ID
Eerste zondag van de maandGratis voor iedereen — maar reserveren van een tijdslot is verplicht
OpeningstijdenDinsdag t/m zondag 9.30–18.00 uur; donderdag tot 21.45 uur
GeslotenElke maandag, 1 mei en 25 december
HalteSolférino (metro 12) of station Musée d’Orsay aan de RER C

Let op één ding dat sinds kort anders is: ook wie gratis naar binnen mag, moet tegenwoordig een tijdslot reserveren. Gratis betekent dus niet meer «zomaar aanschuiven».

» Meer zien – 10 kaartjes in Parijs, die je eerder op voorhand zou moeten kopen

Van kopstation tot museum

Het gebouw was een treinstation, en het heeft als station maar veertig jaar gewerkt. Gare d’Orsay werd geopend voor de wereldtentoonstelling van 1900 en was al voor de oorlog te kort: de perrons pasten niet meer bij de steeds langere treinen.

Daarna werd het van alles. Opslagplaats, filmdecor, en tijdens de Tweede Wereldoorlog een sorteercentrum voor post aan krijgsgevangenen. In 1970 stond het op de nominatie om gesloopt te worden voor een hotel, en het is gered door ingrijpen van de minister van cultuur.

De verbouwing begon in 1974. Het idee was bescheiden: een plek voor de kunst die tussen het Louvre en het Centre Pompidou in viel — te modern voor het ene, te oud voor het andere. In december 1986 ging het open, en die tussenpositie werd juist zijn kracht. Orsay dekt ruwweg 1848 tot 1914, precies het gat tussen de twee andere.

Van het station is meer over dan je denkt. De grote middenhal is het oude perron, de vergulde klok in de kopgevel hangt er nog, en op de bovenste verdieping kijk je door de wijzerplaat van een tweede stationsklok over de Seine naar Montmartre.

De route door het museum

De collectie staat chronologisch en per stroming opgesteld, verdeeld over drie publieksniveaus.

Begane grond. In het midden de beeldhouwkunst, in de oude perronhal. Rechts de academische school met Ingres en Cabanel, links het realisme en naturalisme met Courbet en Millet. Dit is de negentiende eeuw vóór de breuk.

Middenverdieping. Symbolisme, art nouveau en meer beeldhouwkunst, plus de zalen met toegepaste kunst: complete interieurs van rond 1900, meubels, glas en lampen. Hier lopen de meeste mensen te snel doorheen.

Bovenste verdieping. Waarvoor je komt. Impressionisten en postimpressionisten, met zalen die volledig aan Monet en Renoir zijn gewijd, en daarnaast Degas, Manet, Sisley en Pissarro. Van Gogh en Gauguin hangen in hun eigen zalen. En hier staat de klok waardoor je naar buiten kijkt.

Praktisch. Begin boven, zak daarna af. Wie alleen de impressionisten wil, is met anderhalf uur klaar; voor het hele museum reken je op drie tot vier uur. En houd er rekening mee dat het museum regelmatig herschikt en werken uitleent — ga af op de verdieping, niet op een zaalnummer uit een oud artikel.

Wat je zeker niet mag missen

De volledige top tien met per doek waar het hangt, staat in ons overzicht van de beroemdste schilderijen van het Musée d’Orsay. Hieronder de werken die daar niet in staan maar die je bezoek maken — en één ervan hangt niet eens in dit gebouw.

“Blauwe waterlelies” — Claude Monet

Blauwe waterlelies van Claude Monet

Monet schilderde in zijn laatste dertig jaar honderden doeken van dezelfde vijver in Giverny. Dit is er één van, en het bijzondere is wat er níét op staat: geen horizon, geen oever, geen lucht. Je kijkt recht naar beneden in het water, en daardoor verdwijnt elk houvast — het komt gevaarlijk dicht bij abstractie, dertig jaar voordat die bestond.

Hij schilderde de reeks tijdens de Eerste Wereldoorlog, terwijl het front op zeventig kilometer lag en hij het geschut kon horen. De grote versies hangen in de Orangerie, verderop in dit artikel.

Het zelfportret van Van Gogh

Het zelfportret van Vincent van Gogh

Van Gogh schilderde tientallen zelfportretten, vooral omdat hij geen model kon betalen. Dit is er een uit 1889, gemaakt in de inrichting van Saint-Rémy, en het bekendste na het portret met het verbonden oor.

Ga er dicht bij staan en kijk naar de achtergrond. Die bestaat uit golvende, kronkelende streken die om zijn hoofd heen draaien, terwijl zijn gezicht juist stil en scherp is geschilderd. Dat contrast is niet toevallig: de onrust zit in de verf om hem heen, niet in zijn blik.

“De oorsprong van de wereld” — Gustave Courbet

De oorsprong van de wereld van Gustave Courbet

Het schilderij dat honderdvijftig jaar later nog steeds mensen doet blozen, en dat Facebook automatisch verwijderde omdat het algoritme het voor pornografie aanzag. Courbet schildert een vrouwelijk onderlichaam, frontaal, zonder mythologisch excuus, en noemt het de oorsprong van de wereld.

Het doek is klein — kleiner dan de meeste mensen verwachten — en hing meer dan een eeuw achter gordijnen en schuifpanelen in privécollecties, onder anderen bij de psychoanalyticus Jacques Lacan. Lang dacht men dat het model Courbets minnares was. Uit een in 2018 teruggevonden brief tussen Alexandre Dumas fils en George Sand blijkt dat het waarschijnlijk om een Parijse danseres ging, de maîtresse van de Turks-Egyptische diplomaat die het schilderij bestelde.

“Kleine danseres van veertien jaar” — Edgar Degas

Kleine danseres van veertien jaar van Edgar Degas

Het enige beeld dat Degas bij leven tentoonstelde, en het veroorzaakte meer ophef dan al zijn schilderijen. Het origineel was van was, in de kleur van huid, met echt haar, een echt tutu-rokje en echte balletschoenen — en het stond in een glazen vitrine, als een preparaat.

Critici vonden het afstotelijk: een kind tentoongesteld als een dier in een kooi. De versie in Orsay is een bronsafgietsel, met een stoffen rokje en een lint in het haar. Het model was Marie van Goethem, een veertienjarige leerling van de Opera die naast haar lessen moest bijverdienen en later van de dansschool werd weggestuurd.

“Een begrafenis in Ornans” — Gustave Courbet

Een doek van ruim zes meter breed, en dat formaat is precies de provocatie. In 1850 was zo’n muurgroot schilderij voorbehouden aan veldslagen, kroningen en heiligen. Courbet gebruikt het voor een dorpsbegrafenis in Ornans, met zijn eigen buren als figuranten, in modderige laarzen en met verveelde gezichten.

Let op de onderrand. Het open graf is half afgesneden door de lijst en lijkt daardoor het schilderij uit te komen, richting de bezoeker. De critici van die tijd begrepen precies wat daar begraven werd.

“Rue Montorgueil” — Claude Monet

Rue Montorgueil van Claude Monet

Honderden Franse vlaggen uit de ramen van één straat, op het feest van 30 juni 1878. Geen enkel gezicht is uitgewerkt, geen lijn is scherp, en toch is er geen doek in het museum waar je het lawaai en de drukte zo van afziet.

Het ontstaan is bijna net zo aardig als het schilderij. Monet zag de straat, koos een gebouw waar het uitzicht volgens hem het beste was, belde aan bij een wildvreemde en vroeg of hij op het balkon mocht schilderen. Hij mocht. De Rue Montorgueil bestaat nog steeds en is nu een marktstraat met viswinkels en terrassen — op een kwartier lopen van het Louvre.

Praktische tips

Binnen in het Musée d'Orsay

Wanneer het rustig is

Orsay trekt ruim drie miljoen bezoekers per jaar, dus helemaal leeg tref je het nooit. Wel scheelt het moment enorm:

  • November tot maart, wanneer er veel minder toeristen in de stad zijn.
  • Direct bij opening, tussen 9.30 en 12.00 uur.
  • Donderdagavond, wanneer het museum tot 21.45 uur open is. Vanaf een uur of zeven loop je er bijna alleen.

Vermijd de eerste zondag van de maand als je een hekel hebt aan drukte: gratis toegang trekt iedereen tegelijk. Bezoekers met een e-ticket hebben een eigen ingang, dus het loont om vooraf online tickets te kopen.

Audiogids door Orsay — 48 stops, eigen tempo

Kies vooraf waar je voor komt

Vergeleken met het Louvre is Orsay klein, maar het is groot genoeg om je erin te verliezen. Bepaal van tevoren of je voor de impressionisten komt, voor Van Gogh, of voor de art nouveau — en begin daar. Alles proberen te zien is de zekerste manier om niets te onthouden.

Pauzeer op de goedkope plek

Het museum heeft meerdere cafés, en het prijsverschil is fors. Het kleine café achter in de beeldenhal op de begane grond is aanzienlijk goedkoper dan het restaurant en het café op de bovenste verdieping. Dat laatste, achter de grote klok, is wel het mooiste — beslis zelf of het uitzicht het verschil waard is.

Kijk de agenda na

Naast de vaste collectie draait Orsay doorlopend wisseltentoonstellingen, en daarnaast concerten, filmvertoningen en avondopeningen. Die staan op de site van het museum. Een tentoonstelling kan ook betekenen dat bekende werken tijdelijk verhangen of uitgeleend zijn — nog een reden om de agenda even te bekijken voor je gaat.

Musée de l’Orangerie: het vervolg aan de overkant

De waterleliezaal van het Musée de l'Orangerie

Een deel van dezelfde collectie hangt in de Orangerie, aan de overkant van de Seine in de Tuilerieën, op een kwartier lopen. Het gebouw stamt uit 1852 en was oorspronkelijk de winterstalling voor de sinaasappelbomen van de tuin.

Daar hangen de Nymphéas waarvoor Monet zelf de zalen ontwierp: acht panelen in twee ovale ruimtes, twee meter hoog en samen ruim honderd meter lang, zonder hoeken en met daglicht van boven. Je staat er middenin. Monet schonk ze aan de Franse staat, de dag na de wapenstilstand van 1918, als monument voor de vrede.

Beneden zit de verzameling van Jean Walter en Paul Guillaume, met Cézanne, Renoir, Matisse, Modigliani en Picasso. Het kaartje voor de Orangerie koop je los, of als combinatie met Orsay — het Orangerie-deel daarvan blijft dan drie maanden geldig, dus je hoeft ze niet op dezelfde dag te doen.

» Meer zien – Hoe u zonder hulp in de Claude Monet-tuin in Giverny kunt komen

Wie de waterlelies in het echt wil zien, kan de vijver zelf bezoeken: Giverny ligt op ruim een uur met de trein vanaf Gare Saint-Lazare, en de tuin is van eind maart tot begin november open.

Ga je liever met uitleg door Orsay zelf, dan neemt de audiogids van TouringBee voor het Musée d’Orsay je in het Engels langs 48 punten — handig als je geen zin hebt in een groepsrondleiding maar ook niet alles zelf wilt opzoeken.

Geniet van een ontspannen reis met Parijs10!

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *